J.P. Sweelinck - Fantasia d2. Liveconcert Zeerijp 2012
Stef Tuinstra
0:00 / 0:00
J.P. Sweelinck - Fantasia d2. Liveconcert Zeerijp 2012
965 просмотров · 4 г. назад
Stef Tuinstra
171 подписчик
965 просмотров · 4 г. назад
Sweelinck in Zeerijp. Hoe authentiek is dat? De dispositie van het Riepster orgel is gebaseerd op de principes van de late Renaissance. In dit compacte maar feitelijk zeer complete orgel zijn de basisregisters van zowel Rugpositief als Bovenwerk uit Sweelincks tijd vrijwel volledig vertegenwoordigd en kunnen deze ook tezamen worden gebruikt, net zoals het RP + het BW in bv. Amsterdam. En dit dan aangevuld met de pedaalklank van het Principaal en de bastrompet.
Het pedaal in Zeerijp is gemaakt volgens de traditie van Andreas de Mare, zoals hij dit ook al in Emden (Grote Kerk) in 1578-82 deed naar voorbeeld van dat van de Groningse Martinikerk. Daar breidde hij in 1564 het orgel uit met ‘een excellent Trompet 12 voet’. Sweelinck zal zeker op de hoogte zijn geweest van dergelijke laag klinkende tongwerken, al was het alleen maar door zijn Hamburgse studenten. Het is zelfs mogelijk dat hij in Groningen geweest is en het toenmalige Martiniorgel bespeeld heeft. In het Oost Friese Emden, Marienhafe en Leer waren in ieder geval leerlingen van Sweelinck actief. Sweelinck kende orgelmaker Kiespenninck ook persoonlijk. De plannen voor een nieuw groot orgel in de St. Jan in ’s-Hertogenbosch vanaf-1617-1621 maken ook duidelijk hoezeer een Pedaaltrompet 12 of 16 voet in zwang kwam. Sweelincks beroemde collega John Bull heeft ook bemoeienis gehad met de Bossche plannen. Bull en Sweelinck hebben elkaar hoogstwaarschijnlijk persoonlijk nooit ontmoet maar kenden elkaars werk en kunstvisie goed.
In Zeerijp zijn de Basbazuin 16’ (bij Faber nog Trompett geheten zoals bij De Mare) en de bas van de Trompet 8’ gereconstrueerd in vroegbarokke stijl (Fritzsche/Richborn). Deze registers klinken daardoor ronder en grondtoniger dan hun Renaissance voorgangers. De discant van de Trompet komt bij benadering wel overeen met de oude zinkklank. De Vox Humana is door Faber specifiek bedoeld al een mix van de (ook in Amsterdam op Sweelincks orgel apart gedisponeerde) tongwerken Kromhoorn, Regaal en Baarpijp).
Op de kleinere Renaissance orgels was het bij de orgels (zoals dat van Van Covelens in Alkmaar, 1511) mogelijk om bv. de Trompetklank te combineren met het Principaal d.m.v. een al dan niet los in te schakelen pedaalkoppel, dus te bespelen vanaf zowel manuaal als pedaal. In Zeerijp kan dat bij uitstek ook. De Mare maakte bij het nieuw te bouwen transeptorgel in de Der Aa-kerk in 1555 een vergelijkbaar systeem, dus waren deze spelmogelijkheden tamelijk wijd verbreid. De Cimbel is in Zeerijp een kleine gewone Cimbel, die echter het effect van de ‘Ruyschend Cimbaal’ van het Hollandse BW wel vrij goed benadert.
Alhoewel al vrij lang bekend is dat Sweelinck, door middel van het aangehangen contra octaaf aan het Principaal (HW), vrij frequent pedaal zou kunnen hebben gespeeld, en dat niet alleen vanuit de basfunctie, wordt dit in de huidige praktijk m.i. nog onvoldoende benut, zowel qua stemvoering als qua instrumentatie ofwel registratie. Dat geldt ook voor het feit dat vanuit de orkestimitatiegedachte een orgel een ‘meerkorig’ instrument is waarmee allerlei fictieve ‘instrumentengroepen’ kunnen worden samengesteld. Zo staat de Fluit 4 voet voor een blokfluitkwartet, de trompet voor drie trombones en zink, de prestanten voor strijkers etc..
In de hier gespeelde fantasia pas ik deze instrumentgroepen dan ook toe, precies zo zoals Sweelinck dat op zijn orgel ook gedaan zou kunnen hebben. Zo kan bv. een blokfluitconsort ondersteund worden door een bas-Viola di Gamba (aangekoppelde Prestant 8vt HW). Het ‘Exordium’ en ‘Finis’ met plenum, het ‘Medium’ met diverse verschillende registergroepen, over meer klavieren (‘koren’) verdeeld, soms ook op twee klavieren tegelijk. De studenten van Sweelinck die bij hem in woonden waren o.a. zijn registranten. Dus ook Scheidemann, Scheidt e.v.a. zullen in hun Amsterdamse studietijd Sweelinck bij zijn openbare bespelingen geassisteerd hebben.
Hoe het ook zij, al deze bespiegelingen zijn, zoals wijlen Gustav Leonhardt het zo treffend formuleerde in zijn voorwoord van het grote CD-album met de complete Sweelinck klavierwerken uit 2001 (NM-Classics), niet meer dan “intelligente beslissingen. Bij het spelen moet een gissing een beslissing worden; en zo zal de liefhebber bij het beluisteren (van dit concert, ST)niets van de problemen (van wat we allemaal niet weten, ST) merken…”.
Authentiek? Ja en nee dus. Veel belangrijker is of Sweelincks fabuleuze muziek de harten beroert. Om dat mogelijk te maken zijn cantabiliteit, doorzichtigheid en herkenbaarheid van de muzikale structuur onmisbaar. Koor- en orkestensembles geven deze herkenbaarheid van nature door de verschillende musici die verschillende instrumenten bespelen of dat alleen zingend doen. Bij het orgel gebeurt dat door de organist zelf, één met zijn/haar koninklijke ‘Imitatio Instrumentorum’-instrument. Vanaf de gotiek tot in het heden en in de toekomst.